Het experimenteren met en telen of verkopen van genetisch gemodificeerde organismen (ggo’s) is aan een groot aantal wetten en regels gebonden. De meeste van deze wetten en regels zijn Europees geregeld, zodat in alle Europese lidstaten dezelfde regels gelden. Deze wetten zijn opgesteld om de veiligheid te waarborgen. Het werken met ggo’s is volgens de wetten vergunningplichtig. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen vergunningen voor experimenten in laboratoria, experimenten in het veld en klinische experimenten, en vergunningen voor verkoop of commerciële teelt van ggo’s.
Vergunningen voor experimenten in laboratoria worden afgegeven door de nationale overheden. In Nederland is dat het ministerie van Infrastructuur en Milieu. Bij het afgeven van een vergunning staat centraal of het ggo niet kan ontsnappen en zich verspreiden en vestigen in het milieu of de bevolking. De aanvrager moet dan ook een risicoanalyse maken waaruit blijkt welke maatregelen genomen moeten worden om het ggo binnen de deur te houden. Dit soort vergunningen wordt ‘Ingeperkt Gebruik’ genoemd. De COGEM wordt door het ministerie om advies gevraagd als het gaat om een nieuw soort experimenten, organismes waarover nooit eerder een vergunning is afgegeven of andere situaties die afwijken van de gangbare vergunningaanvragen.
Vergunningen voor experimenten in het veld met gg-gewassen of klinische experimenten in ziekenhuizen worden ook afgegeven door de Nederlandse overheid. Dit zijn zogenaamde ‘Introductie in het Milieu’ vergunningen omdat er geen fysieke maatregelen zoals deuren of luchtfilters zijn om verspreiding tegen te gaan. De vergunningaanvrager moet gegevens kunnen overleggen waaruit blijkt in welke mate het ggo zich kan verspreiden en welke effecten een eventuele verspreiding kan hebben op het milieu of de bevolking. Een vergunning wordt alleen afgegeven als blijkt dat de combinatie van deze twee factoren leidt tot een verwaarloosbaar risico voor mens en milieu. De COGEM wordt altijd door het ministerie om advies gevraagd over de eventuele risico’s van dit soort openlucht experimenten.
Ggo’s, zoals genetische gemodificeerde gewassen, mogen alleen geïmporteerd, geteeld of verkocht worden als daarvoor een EU-toelatingsvergunning is verleend. Zo’n vergunning geldt voor de gehele EU. Om deze vergunning te verkrijgen moet er onderzoek naar de veiligheid voor mens, dier en milieu van het ggo hebben plaatsgevonden. Het ggo mag geen onkruid worden, geen nadelige gevolgen hebben voor andere organismen zoals insecten of dieren etc. Wanneer het gaat om voedingsmiddelen moet ook onderzocht worden of het veilig gegeten kan worden door mens en dier. Het veiligheidsonderzoek is omvangrijk en kostbaar. Naar schatting kost een vergunningaanvraag voor een gg-gewas tussen de 3,8 en de 10,3 miljoen euro. Hierdoor kunnen alleen de zeer grote bedrijven dergelijke vergunningaanvragen betalen.
Bij de vergunningverlening zijn tal van partijen betrokken. De Europese voedselautoriteit (EFSA) beoordeelt het ggo op veiligheid voor mens en milieu, inclusief de voedselveiligheid en gedurende de vergunningprocedure mogen de lidstaten de aanvraag ook beoordelen. Zo kijkt in Nederland de COGEM naar de milieuveiligheid en het RIKILT naar de voedselveiligheid. Uiteindelijk besluiten de EU-lidstaten en de Europese Commissie of er een vergunning wordt afgegeven.
Ondanks de uitvoerige eisen die gesteld worden aan het verkrijgen van een ggo-vergunning, is de veiligheid van ggo’s omstreden. Tegenstanders van gg-gewassen zien mogelijke onvoorziene nadelige lange termijn effecten en willen dat de testen uitgebreid worden of dat de toelating van gg-gewassen verboden wordt, tot meer bekend is. Zij vinden dat de beoordelende instanties zoals de EFSA onvoldoende rekening houden met hun bezwaren.
Overigens vinden sommige voorstanders van gg-gewassen de regels en veiligheidseisen weer veel te strikt. Zij stellen dat in al de jaren dat er gg-gewassen geteeld en gegeten worden er zich nog nooit risico’s hebben voorgedaan, en dat de hoge kosten voor de veiligheidsdossiers grote multinationals in de kaart spelen en een onnodige belemmering vormen voor de introductie van nuttige gg-gewassen.
In Europa moeten ggo’s of gg-voedsel dat verkocht wordt, geëtiketteerd worden. Deze etikettering is niet ingesteld vanwege een voedselveiligheidsrisico, immers de producten zijn uitvoerig getest en veilig bevonden, maar om de consument de keus te geven of hij gg-voedsel wil kopen.