English English

Genetische modificatie is een belangrijke technologie die niet meer valt weg te denken in het huidige biologische en biomedische onderzoek. Experimenten met genetisch gemodificeerde micro-organismen, planten en dieren (ggo’s) worden uitgevoerd in tal van laboratoria verspreid over Nederland.
Voor al deze experimenten is een vergunning nodig van de Nederlandse overheid. Bij het afgeven van de vergunningen worden maatregelen opgelegd om te voorkomen dat de ggo’s uit de laboratoria kunnen ontsnappen en zich verspreiden in het milieu.

De maatregelen hebben betrekking op de veiligheid van de laboratoria en de manier waarop de experimenten worden uitgevoerd. Hierbij worden vier risicoklassen onderscheiden. Experimenten met niet ziekteverwekkende ggo’s die zich moeilijk kunnen verspreiden, mogen op het laagste veiligheidsniveau uitgevoerd worden. Hoe meer risico er aan de experimenten verbonden is, hoe hoger het veiligheidsniveau wordt. Bij de hogere veiligheidsniveaus moet bijvoorbeeld de lucht gefilterd worden die uit de laboratoria komt of mag alleen gewerkt worden in bioveiligheidskasten.

Naast deze fysieke maatregelen is er ook nog de ‘biologische inperking’ van de ggo’s zelf. De meeste genetisch gemodificeerde bacteriën of schimmels waarmee in laboratoria gewerkt wordt, kunnen niet zelfstandig in de natuur overleven. Ze zijn verzwakt omdat ze genen missen die nodig zijn om bepaalde stoffen te kunnen maken, waardoor ze alleen kunnen overleven als ze bepaalde voedingsstoffen toegevoegd krijgen. Ook kunnen de ziekteverwekkende genen verwijderd zijn. Bij virussen zijn vaak essentiële genen verwijderd of aangepast, die het ziekteverwekkende karakter van de virussen verminderen.