Een reflectie door de voorzitter van de COGEM, Bastiaan Zoeteman, op actuele onderwerpen rondom genetische modificatie en biotechnologie.
Wanneer mij enige maanden geleden gevraagd zou zijn of het nuttig was om de COGEM weer te evalueren dan had ik geantwoord: nee, er is niet veel aanleiding voor. Maar in de wet staat dat de COGEM zichzelf elke vier jaar moet evalueren. Als het dan toch moet, dan maar goed. Want de COGEM is niet tegen pottenkijkers en baseert haar werk op transparant zijn.
Het Dagelijks Bestuur vond het raadzaam de evaluatie voortvarend aan te pakken en dit keer de gegroeide invloed van het EU beleid als uitgangspunt te nemen. Besloten werd een internationaal getinte onafhankelijke evaluatie commissie te vragen een oordeel over het werk van de COGEM te geven en met aanbevelingen te komen. Al snel was er een externe commissie geformeerd met de Wageningse hoogleraar Rudy Rabbinge als voorzitter en twee voorzitters van COGEM zuster organisaties uit Frankrijk (Christine Noiville) en België (Dirk Reheul) als leden. Intussen was er door het COGEM secretariaat een feitenverslag gemaakt over de afgelopen jaren dat als input diende. De evaluatie commissie kwam begin april bijeen en interviewde een aantal sleutelfiguren in ons land om zichzelf een nader beeld van het functioneren van de COGEM te vormen. Een maand later hadden zij hun oordeel op schrift gesteld, inclusief twaalf aanbevelingen, en kon de COGEM haar reactie daarop formuleren en aan staatssecretaris Atsma aanbieden. De aanbevelingen betroffen ondermeer de wijze van communiceren en de samenwerking met buitenlandse en nationale organisaties.
In de evaluatie periode heeft de COGEM 172 adviezen en signaleringen uitgebracht. De commissie vroeg zich af wat nu de echt belangrijke adviezen hieronder waren. Een vraag die we ons zelf nog niet zo expliciet hadden gesteld. Zo’n 82% van het totaal betrof specifieke zaken over de toelating van gg-toepassingen of de risico classificatie van gg-organismen. Business as usual. En 18% betrof generieke bijdragen aan het gg-debat die tot aanpassingen van nationale (12%) of EU-regelgeving (6%) kunnen bijdragen. De bijdragen met de meeste impact zouden hier gezocht moeten worden. Een voorbeeld uit de 6% categorie was de signalering over sociaal-economische criteria om in een land te kunnen besluiten om op EU niveau toegelaten gewassen eventueel toch niet te laten telen (CGM 090929-01). Het door Nederland ingebrachte voorstel dat met het COGEM rapport werd onderbouwd veroorzaakt nog steeds commotie in de EU milieuraad.
De commissie was lovend over ons werk. In Nederland vindt wetenschappelijke advisering nog los van directe politieke beïnvloeding plaats. In andere landen blijken adviesorganen vaak bemenst met politiek benoemde leden of met leden die geacht worden hun achterban te vertegenwoordigen. Dat consensus bereiken dan niet altijd lukt, zal niet verbazen. Ook komt het de objectiviteit en betrouwbaarheid van het functioneren van adviesorganen niet ten goede. Maar ook bij de COGEM kunnen een aantal zaken verbeterd worden.
De COGEM kan haar bekendheid vergroten, onder meer door haar belangrijkste adviezen en signaleringen ook rechtstreeks aan het Parlement aan te bieden. Ook bepleitte de evaluatie commissie nog beter samen te werken met andere buitenlandse adviesorganen en de EFSA. Wij zien als COGEM daar ook mogelijkheden toe, mits de randvoorwaarden van transparant zijn over belangen en het uitsluiten van belangenconflicten gehandhaafd blijven. De kansen liggen vooral bij het samen maken van generieke adviezen. Deze zijn vrij van de tijdsklem die bij vergunningaanvragen speelt en die nauwelijks ruimte laat voor bredere afstemming.
Ook kan de COGEM nog meer samenwerken met nationale adviesorganen. Dit punt is al eerder opgepakt door de samenwerking met de Gezondheidsraad en het Rathenau Instituut te intensiveren, maar daar zullen andere organen aan worden toegevoegd waar er synergie voor beiden uit kan ontstaan. Daarbij moet de COGEM er alert op zijn dat haar specifieke rol van objectieve gezaghebbende adviseur van de overheid niet in gevaar komt.
Als COGEM gaan we behoedzaam om met publiciteit. Het is immers niet onze rol om onszelf te promoten en bijvoorbeeld door controversiële standpunten aandacht te trekken. De COGEM wil oog hebben voor alle kanten aan de zaak en die rapporteren zonder partij te kiezen bij ethisch-maatschappelijke vraagstukken. Daarmee wordt niet de aandacht van journalisten getrokken en dat past de COGEM. De COGEM opereert in de luwte van het maatschappelijke debat en komt met gezaghebbende analyses zonder zelf onderdeel van dat debat te willen worden. Deze aanpak werd door de evaluatie commissie als verstandig gezien. Maar zij zien toch ruimte om tot wijdere verspreiding van de COGEM bevindingen te komen. De COGEM kan verder meer gebruik maken van deskundigen in de landen om ons heen. Een voorwaarde is ook hier dat de procedures over vertrouwelijkheid en het voorkomen van belangenverstrengeling nageleefd moeten kunnen worden.
Terugkijkend op de evaluatie was het een leerzaam proces. Het is goed dat de wet dit voorschrijft. Het gevaar van bedrijfsblindheid wordt voorkomen. Een frisse blik in de keuken door buitenstaanders houdt ons scherp en kan anderen naar ik hoop het gevoel geven dat de COGEM goed met haar verantwoordelijkheden omgaat.
Bastiaan Zoeteman
Klik hier voor meer informatie over de evaluaties van de COGEM en om alle publicaties te downloaden.