English English

Terug naar overzicht

12.12.2011 | Van De Voorzitter: Wat bezielt die gg-dieren?

Een reflectie door de voorzitter van de COGEM, Bastiaan Zoeteman, op actuele onderwerpen rondom genetische modificatie en biotechnologie.

Op 25 oktober 2011 organiseerde de COGEM een drukbezocht internationaal symposium over gg-dieren in De Balie te Amsterdam. Centraal stonden de vragen naar de risico’s van nieuwe ontwikkelingen op het gebied van gg-dieren en hoe deze worden beleefd door de bevolking.

Onze wetenschappelijke paradigma’s moeten ons helpen om met onzekerheden en risico’s om te gaan. We brengen bij het hanteren van genetische modificatie vanuit ons oorzaak-gevolg denken de voorstelbare risico’s in kaart en ontwerpen vervolgens maatregelen om deze risico’s hanteerbaar, of acceptabel, of zoals wij als COGEM dat dan noemen: ‘verwaarloosbaar klein’ te maken. De zaak ligt relatief simpel bij eenvoudige organismen, of planten. Als we bang zijn dat een gemodificeerde plant zou kunnen verwilderen, dan kijken we of deze plant überhaupt kan overleven in ons klimaat. Bij soja en maïs is dat niet het geval dus daar zijn we als COGEM relatief snel mee klaar. Bij aardappel ligt dat al wat genuanceerder, die kunnen soms de winter overleven. Maar er hebben zich nog nooit aardappelpopulaties in de Nederlandse natuur gevestigd. Bovendien bestrijden boeren om schimmelinfecties te voorkomen altijd al ‘opslag’ (nakomelingen). Dus om deze en andere redenen is hier verwildering ook makkelijk uit te sluiten. Bij koolzaad wordt het alweer iets complexer, maar de gg-planten hebben doorgaans geen competitief voordeel op bestaande natuurlijke populaties. En zo komen we tot het oordeel: ‘de risico’s voor mens en milieu zijn verwaarloosbaar klein.’
Bij medische en veterinaire toepassingen van bijvoorbeeld gg-virussen worden vergelijkbare ‘gezond verstand redeneringen’ gevolgd. Kan een in een dier of mens ingebracht gg-virus zich vermenigvuldigen? Kan het gg-virus derden infecteren? Zo nee, dan hoeven we ons geen zorgen te maken. Verminderen bepaalde handelingen het aantal al dan niet replicatiecompetente virusdeeltjes tot minder dan het getal X, dan vinden we het risico verwaarloosbaar klein. Bovendien bevelen we omstandigheden aan waarin de medewerkers nauwelijks nog kans lopen om te worden besmet. En bij twijfel adviseert de COGEM om uit voorzorg de activiteiten te omkleden met extra veiligheidmaatregelen.
Het merendeel van de wetenschappers en burgers kan goed leven met deze aanpak, zoals ook bleek uit eerdere onderzoeken van de COGEM.*

Maar wanneer genetische modificatie wordt uitgevoerd op dieren zelf komen een aantal zaken gevoelsmatig in een ander daglicht te staan. Dit bleek ondermeer bij de discussie tijdens het eerder genoemde symposium over gg-dieren. Wat geeft ons het recht om aan dieren te sleutelen, anders dan met conventionele foktechnieken? Kunnen we de risico’s daarvan overzien? Als we gg-insecten in de natuur introduceren, om menselijke ziekten als knokkelkoorts en malaria te bestrijden, is het risico heel wat moeilijker in te schatten dan bij het cultiveren van gg-soja planten, al was het maar omdat deze insecten rondvliegen. Toch kan met de conventionele wetenschappelijke benadering en nader onderzoek op den duur vermoedelijk wel worden aangegeven onder welke voorwaarden dergelijke toepassingen een verwaarloosbaar klein milieurisico opleveren. Anders wordt het wanneer het gaat om bijvoorbeeld het genetisch modificeren of kloneren van hogere dieren zoals runderen en paarden. Hierbij gaat het minder om de risico’s voor mens en milieu maar om de vraag wat het nut van een dergelijke ingreep is en of dit opweegt tegen de gevoelsmatige terughouding die veel mensen als wenselijk ervaren. Beoogd wordt doorgaans te profiteren van melkproductie of geneeskrachtige bestanddelen van de melk, maar het kan ook gaan om het gebruik van vlees als voedsel. Nog weer extremer ligt het kloneren van paarden om afstammelingen te krijgen van kampioen renpaarden. De ‘champion brand’ is geld waard. Hier staat de wetenschapper met zijn risico afwegingsmethoden met zijn mond vol tanden. In de afweging kunnen argumenten van dierenwelzijn worden betrokken, maar de kans is groot dat fokkers er alles aan zullen doen om hun troetelkinderen goed te verzorgen. Welke argumenten kunnen mensen met intuïtieve bezwaren hier dan nog tegenin brengen?
Er kunnen argumenten op de proppen komen zoals de intrinsieke waarde van het dier, de autonomie van het dier, de onnatuurlijkheid van de ingreep of het ‘spelen voor God’. Waar er sterke marktkrachten aan de orde zijn, ofwel als er veel geld mee te verdienen is, zullen deze argumenten het niet winnen van de voorstanders van dergelijke ontwikkelingen. De wetenschap is daarmee gekomen aan het einde van zijn Latijn en het beleid ook. Zo is de huidige situatie ontstaan dat Nederland tegen het genetisch manipuleren en kloneren van dieren is maar dat het importeren en gebruiken van de zo verkregen producten en dieren uit het buitenland weinig obstakels in de weg wordt gelegd.

Kan een scherper begrip van de situatie ontstaan als we buiten de box van de bestaande wetenschappelijke paradigma’s, die ook de context voor de COGEM vormen, zouden kijken? Stel dat levende organismen niet alleen bestaan uit cellen met zichzelf replicerend DNA, maar dat het feit dat zij leven zijn oorsprong vindt in een of andere vorm van bezieling. Welke nieuwe invalshoeken zou dat opleveren?
Met die vraag verliet ik het symposium over gg-dieren en die vraag heeft me nog steeds niet los gelaten.


* Brief van 7 juni 2006 signalering Levensbeschouwing en biotechnologie over onderzoeksrapport ‘Moet alles kunnen wat technisch mogelijk is?’ (CGM 2006-02) en brief van 16 oktober 2007 over het onderzoeksrapport ‘Levensbeschouwing en biotechnologie. Een analyse van normatieve argumenten (CGM 2007-08)