|
|  |
 |
 |
|
|
 |
 |
 |
 |
begrippenlijst
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Aarhus-verdragHet Aarhus-verdrag (van de VN/ECE) betreft de toegang tot milieu-informatie, participatie bij besluitvormingsprocessen over milieuzaken en toegang tot de rechter bij milieuzaken. In het verdrag is een bepaling opgenomen over GGO’s. Daarin staat dat landen binnen hun eigen wetgeving, daar waar mogelijk en toepasbaar, het publiek moeten betrekken bij de besluitvorming over de introductie in het milieu van GGO’s. Naar verwachting zal Nederland medio 2005 het verdrag geratificeerd hebben en partij zijn bij het verdrag.
AdenovirussenVirussen uit de familie van de Adenoviridae, die onder andere ziekten aan de luchtwegen kunnen veroorzaken. Adenovirussen hebben een dubbelstrengs DNA genoom. Deze virussen worden vaak gebruikt als virale vectoren. Ze bezitten een aantal eigenschappen waardoor ze geschikt zijn voor genoverdracht en ingezet kunnen worden bij gentherapie.
AdjuvantStof die aan een vaccin wordt toegevoegd om een verbeterde immuunrespons op te wekken.
AërosolEen nevel van vaste of vloeibare deeltjes.
Agrobacterium tumefaciens Deze bacterie is een ziekteverwekker bij planten en beschikt over de mogelijkheid om een gedeelte van haar eigen DNA in te bouwen in het planten DNA. De bacterie kan ook gebruikt worden bij de genetische modificatie van planten.Een gewenst gen kan ingebouwd worden in het plasmide (Ti-plasmide) van de bacterie, waarna een plant met deze bacterie geïnfecteerd wordt. Vervolgens kan overdracht van het plasmide naar de plantencel plaatsvinden, waarbij het gewenste gen eventueel kan integreren in het plantengenoom.
Agro-infiltratieTechniek waarbij genetisch gemodificeerde bacteriën van de soort Agrobacterium tumefaciens door middel van een vacuüm in planten (meestal bladeren) gebracht wordt. Hierna kan overdracht van een plasmide naar de gastheercel plaatsvinden. Dit hoeft echter niet te leiden tot integratie van het DNA in het genoom van de plant, de genen komen dan alleen transiënt tot expressie.
Agro-inoculatieTechniek waarbij planten (meestal bladeren) geïnjecteerd worden met genetisch gemodificeerde bacteriën van de soort Agrobacterium tumefaciens, waarna overdracht van een plasmide naar de gastheercel plaatsvindt. Dit hoeft echter niet te leiden tot integratie van het DNA in het genoom van de plant, de genen komen dan alleen transiënt tot expressie.
Aminozuren
Organische verbindingen die de bouwstenen zijn van eiwitten. Voor de eiwitsynthese kan gebruik gemaakt worden van 20 verschillende aminozuren. Het soort eiwit wordt bepaald door de volgorde van de aminozuren.
AntibioticumEen organische stof geproduceerd door micro-organismen die de eiwitsynthese van bacteriën kan remmen of kan inwerken op de celwand van bacteriën. Zodoende kunnen bacteriën gedood of in hun groei geremd worden. Antibiotica kunnen tevens gebruikt worden bij infecties veroorzaakt door bacteriën. Zie ook markergenen.
AntibioticumresistentiegenenGenen, vaak afkomstig van een micro-organisme, waarmee antibioticaresistentie als marker voor transformatie-selectie kan worden verkregen. De genen kunnen bijvoorbeeld coderen voor enzymen welke antibiotica afbreken of voor oppervlakte-eiwitten die er voor zorgen dat het antibioticum de celwand niet kan passeren.
AntigenenLichaamsvreemde stoffen die door het immuunsysteem herkend kunnen worden en waartegen een immuunrespons opgewekt wordt.
AntilichamenEiwitten die door het lichaam geproduceerd worden als reactie op de aanwezigheid van lichaamsvreemde stoffen (antigenen). Antilichamen herkennen en binden vervolgens aan het specifieke antigeen dat hun productie heeft opgewekt. Door deze binding wordt een proces op gang gezet dat leidt tot de vernietiging van het antigeen.
Antisense DNADNA bestaat uit twee strengen nucleïnezuren, waarvan er slechts één (sense DNA) codeert voor het RNA dat betrokken is bij de vorming van eiwitten. De niet-coderende streng wordt antisense-DNA genoemd en is het spiegelbeeld (complementair) van de coderende streng.
Antiviraal geneesmiddelEen geneesmiddel dat specifiek werkzaam is tegen virusinfecties.
AttenuatieAfname van het ziekteverwekkende vermogen van een pathogeen.
AutoloogOp zichzelf betrekking hebbend. Patiënten kunnen bijvoorbeeld bloed doneren wat later gebruikt kan worden tijdens hun operatie, men spreekt dan van een autologe bloeddonatie.
Bacillus thuringiensis (Bt)Een bodembacterie die o.a. eiwitkristallen (Bt-eiwitten) vormt, welke toxisch zijn voor specifieke insecten en daarom in de landbouw gebruikt wordt als gewasbeschermingsmiddel. Het gen verantwoordelijk voor de productie van het toxine kan via genetische modificatie worden ingebracht in planten waardoor deze resistent worden tegen de Bt-gevoelige insecten.
Bacterial replacement therapyEen natuurlijke bacteriepopulatie wordt bij de mens vervangen door een vergelijkbare populatie met verbeterde eigenschappen.
BacteriënEéncellige organismen zonder een kernmembraan en dus zonder een afgescheiden celkern (prokaryotisch). Slechts een klein deel van deze organismen is ziekteverwekkend. Bacteriën zijn overal om ons heen en de meeste zijn niet schadelijk. Veel bacteriën doen zeer nuttig werk, bijvoorbeeld in de darmen en in de bodem.
BacteriofaagEen virus, ook wel faag genoemd, dat bacteriën kan infecteren. De fagen zijn opgebouwd uit een eiwitmantel met daarin genetisch materiaal dat bij het merendeel van de fagen uit DNA bestaat. De meeste fagen (95%) hebben een "staart" waardoor ze het genetisch materiaal in de bacterie kunnen injecteren. Dit genetische materiaal zet het metabolisme van de bacterie om op de productie van nieuwe fagen. Bij genetische modificatie worden fagen gebruikt als vector om “vreemd” genetisch materiaal bij bacteriën in te brengen.
Bacteriofaag therapie Methode waarbij met behulp van bacteriofagen infectieziekten, of kolonisatie met potentieel ziekteverwekkende bacteriën, worden bestreden.
BaculovirusEen dubbelstrengs DNA virus dat infecties kan veroorzaken bij een groot aantal verschillende soorten insecten. In het algemeen is het gastheerbereik van de verschillende virussen beperkt tot enkele insectensoorten binnen een genus of een familie Het baculovirus kan als vector gebruikt worden voor genetische modificatie.
BaseEen molecuul dat de bouwsteen is van een nucleotide. Voor de samenstelling van DNA en RNA kan gebruik gemaakt worden van verschillende basen, namelijk adenine, guanine, thymine (alleen in DNA) of uracil (alleen in RNA) en cytosine.
BasenpaarTwee tegenover elkaar liggende nucleotiden in dubbelstrengs DNA of RNA. De basen zijn met elkaar gepaard door middel van waterstofbruggen. Een basenpaar bestaat uit 2 complementaire basen. In DNA bevindt zich tegenover adenine altijd thymine en tegenover guanine altijd cytosine. In RNA is dit hetzelfde maar bevindt zich uracil in de plaats van adenine.
Beginselethiek Ook wel principe-ethiek genoemd. Het is een vorm van ethiek waarin morele kwesties worden beoordeeld vanuit het standpunt dat er bepaalde beginselen zijn die in het menselijk handelen niet mogen worden geschonden, los van de concrete gevolgen van de handeling. Voorbeelden van dergelijke beginselen, principes of algemene waarden zijn: autonomie, waardigheid, intrinsieke waarde en integriteit.
Besluit genetisch gemodificeerde organismenIn Nederland mag alleen met GGO’s gewerkt worden met een vergunning. Deze vergunningen worden afgegeven door VROM op grond van het Besluit GGO. Onder het Besluit GGO 'hangt' de Regeling GGO.
Via het Besluit GGO Wet milieugevaarlijke stoffen en de Regeling GGO zijn de Europese richtlijnen 98/81/EG en 01/18/EG geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving.
BiodiversiteitDe verscheidenheid van het leven op aarde, op het niveau van genen, soorten en ecosystemen. De waarde van biologische diversiteit wordt hierbij niet alleen vanuit het perspectief van de mens bekeken, maar ook vanuit het perspectief van de eigen, intrinsieke waarde van de natuur.
BiolisticsEen methode die ontwikkeld is om DNA in cellen te brengen. Het DNA wordt gekoppeld aan kleine metaaldeeltjes en dan met hoge snelheid, m.b.v. een ‘gene gun’ afgeschoten op de gastheercellen. Deze methode wordt onder meer toegepast bij genetische modificatie van planten.
Biologische inperkingEigenschappen van een organisme die er voor zorgen dat de overleving en de verspreiding van dat organisme in het milieu beperkt wordt. Hiertoe behoren ook de eigenschappen van een gastheer/vectorsysteem, welke de overdracht van de vector beperken.
BionanotechnologieNanotechnologie is het geheel van kennis, vaardigheden en apparatuur dat nodig is om op een schaal tussen de één en honderd nanometer functionaliteit te creëren. Er wordt gebruik gemaakt van de specifieke eigenschappen van materie op de nanoschaal. Bionanotechnologie is de nanotechnologie waarbij gebruik wordt gemaakt van biologische principes of bouwstenen of die zijn toepassing vindt in biologische systemen.
Bioremediatie
Het gebruik van micro-organismen om vervuilde grond of vervuild water te zuiveren.
Biosafety Clearing House
In het kader van het Biodiversiteitsverdrag (Verdrag inzake biologische diversiteit) wordt een Biosafety Clearing House (BCH) opgezet. Dit is een wereldwijd monitoringsysteem dat het grensoverschrijdende transport van levende GGO’s moet gaan reguleren. Tevens dient het systeem voor de verspreiding van wetenschappelijke, technische, ecologische en juridische informatie betreffende GGO's. Het BCH, waarvan het centrale portaal zich in Montreal bevindt, gebruikt voornamelijk het internet en zal op termijn functioneren als een gecoördineerd netwerk van internationale, regionale en nationale sites.
BiotechnologieTechnieken waarbij (delen van) biologisch leven geanalyseerd en gebruikt worden voor de ontwikkeling en verbetering van producten en productieprocessen voor industriele, agrarische en maatschappelijke toeppassingen. Biotechnologie wordt gebruikt als verzamelnaam voor onder andere genomics, medische biotechnologie en genetische modificatie.
Bureau Genetisch Gemodificeerde Organismen (Bureau GGO)Het Bureau GGO houdt zich bezig met de vergunningverlening in het kader van het Besluit GGO. Het is het contactpunt voor de informatieverstrekking met betrekking tot kennisgevingen en vergunningaanvragen. De uiteindelijke beschikking op kennisgevingen en vergunningaanvragen geschiedt door het Ministerie van VROM.
Cartagena protocolHet Cartagena protocol, ook wel bioveiligheidsprotocol genoemd, is een protocol onder het VN-verdrag inzake biologische diversiteit. Het heeft tot doel bij te dragen aan het waarborgen van de veiligheid bij de verplaatsing van, handelingen met en gebruik van GGO’s, die mogelijk de bescherming en het duurzame gebruik van de biodiversiteit in gevaar kunnen brengen. Het bevat voornamelijk regels over de grensoverschrijdende verplaatsing van GGO’s.
CelfusieHet versmelten van twee cellen, resulterend in een nieuwe cel met het genetische materiaal van de oorspronkelijke twee cellen.
Celkern
Microscopisch zichtbaar celdeeltje, dat omgeven wordt door een membraan en dat chromosomen bevat.
CellenEen cel is de kleinste eenheid van het leven, welke in staat is om zelf allerlei essentiële levensfuncties uit te oefenen.
Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek (CCMO)Commissie die de bescherming van proefpersonen betrokken bij medisch-wetenschappelijk onderzoek waarborgt, middels toetsing aan de daarvoor vastgestelde wettelijke bepalingen en met inachtneming van het belang van de voortgang van de medische wetenschap.
ChimeraplastieEen experimentele techniek voor gerichte mutagenese waarbij een puntmutatatie in een gen gerepareerd kan worden met behulp van een synthetische oligonucleotide (chimeraplast). De chimeraplast is opgebouwd uit de gewenste DNA sequentie in combinatie met RNA. Door binding van het chimeraplast met de specifieke sequentie, zal het reparatiesysteem van de cel zelf de mutatie aanpassen.
ChloroplastenWorden ook wel bladgroenkorrels genoemd, welke zich bevinden in planten. In chloroplasten vindt de fotosynthese plaats.
ChromosomenDraadvormige, lange structuren, bestaande uit eiwitten en DNA, dat de genetische informatie bevat.
CisgeneseGenetische modificatie waarbij soorteigen DNA in een organisme wordt gebracht (in tegenstelling tot transgenese).
CoëxistentieCoëxistentie in de landbouw betreft de mogelijkheid van het in harmonie naast elkaar bestaan van de teelt van genetisch gemodificeerde gewassen naast conventionele of biologische landbouw. In sommige gevallen kunnen gewassen zich namelijk door uitkruising of vermenging, verspreiden naar de velden van anderen.
Commissie Biotechnologie bij Dieren (CBD)Commissie die de minister van LNV adviseert omtrent de vergunningaanvraag van biotechnologische experimenten met dieren. Zij beoordeelt hierbij de ethische toelaatbaarheid van genetische modificatie in het kader van overkoepelende aanvragen voor uitgebreide onderzoekslijnen of clusters van onderzoekslijnen.
Commissie Genetische Modificatie (COGEM)De COGEM adviseert de regering over de risico-aspecten van genetische modificatie voor het milieu. Daarnaast signaleert de COGEM ethische en maatschappelijke aspecten van genetische modificatie.
Defect virusReplicatiedeficiënte vorm van een virus dat zich uitsluitend met een helper(functie) kan vermenigvuldigen.
Dier Experimenten Commissie (DEC)Instituutsgebonden commissie die beoordeelt of de geplande dierproeven passen binnen de vergunning die is afgegeven door de Commissie biotechnologie bij dieren (CBD). Ook dient de DEC te toetsen of de geplande dierproeven voldoen aan de zorgvuldigheidseisen die de Wet op de Dierproeven stelt. Hieronder valt o.a. de afweging van het mogelijke ongerief van de dieren door de dierproef in relatie tot het wetenschappelijke en maatschappelijke belang van de proef. Daarnaast wordt kritisch gekeken of diervriendelijke alternatieven worden toegepast en niet meer dieren worden gebruikt dan strikt noodzakelijk is.
DNADesoxyribonucleinezuur (in het Engels Deoxyribonucleic Acid) is een molecuul met vier bouwstenen (nucleotiden) waarin de genetische informatie is opgeslagen. De volgorde van de vier bouwstenen vormt een soort genetische code. DNA bestaat uit twee strengen die elkaars spiegelbeeld (complementair) zijn en is aanwezig in de celkern. Het DNA bepaalt de structuur, functie en gedrag van de cel.
DNA-chip/micro-arrayEen kleine glasplaat waarop duizenden verschillende genen geplaatst zijn. Eén chip maakt het mogelijk om in één keer de mate van activiteit van grote aantallen genen tegelijkertijd, tot aan tienduizenden, te bepalen.
(DNA-)ligaseEen enzym dat in staat is twee dubbelstrengs DNA fragmenten aan elkaar te binden (ligeren).
(DNA-)probeEen enkelstrengs DNA fragment met een bekende nucleotidenvolgorde. Het fragment wordt gebonden aan een radioactieve-, kleur-, of fluorescentiemarker. Vervolgens wordt dit gebruikt in een hybridisatie-experiment om een complementaire DNA fragment op te sporen. Met behulp van deze techniek kan een specifiek gen bestudeerd worden.
DonororganismeOrganisme waaruit de in een gastheerorganisme te brengen genetische informatie oorspronkelijk afkomstig is.
Ecotroop muizenretrovirusRetrovirus dat uitsluitend cellen van muizen en ratten kan infecteren.
EFSA “The European Food Safety Authority”. De Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid verstrekt onafhankelijke wetenschappelijke adviezen over alle aangelegenheden die direct of indirect van invloed zijn op de voedselveiligheid van mens en dier. De EFSA heeft een ruime taakstelling. Het agentschap bewaakt alle stadia van de voedselproductie en -voorziening, van de primaire productie en de veiligheid van diervoeders tot en met de levering van voedingsmiddelen aan de consument.
EiwitEen ander woord voor proteïne. Het is een chemische verbinding bestaande uit een keten van aminozuren, die de specifieke vorm en functie van het eiwit bepaald. Eiwitten zijn verantwoordelijk voor de structuur, functie en regulatie van cellen. Voorbeelden van eiwitten zijn enzymen, hormonen en antilichamen.
ElektroporatieEen techniek om het genetisch materiaal in cellen te transformeren. Door middel van een elektrische schok ontstaan gaten in het celmembraan, waardoor het in te bouwen DNA de cel in kan komen.
EmpirieOnder empirie verstaat men de (zintuiglijke) ervaring.
EnzymBiochemische katalysator geproduceerd door cellen van levende organismen. Het zijn eiwitten die een bepaald proces in het organisme veroorzaken of bevorderen, zonder zelf te veranderen. Enzymen zijn zeer specifiek.
Epigenetica
De studie waarbij gekeken wordt naar overerfbare veranderingen in genfunctie zonder dat veranderingen in de DNA sequentie optreden. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan DNA methylatie en RNA interference. Deze processen spelen een belangrijke rol bij de fenotypische ontwikkeling en overerving.
ErfelijkheidHet overgaan van kenmerken op de volgende generatie.
EthiekOok wel praktische filosofie genoemd. Het is de bezinning op de fundamentele principes en begrippen in het morele debat. Ethiek analyseert en verheldert de naar voren gebrachte argumenten en de rechtvaardiging van morele claims. Het gaat daarbij niet om de feitelijke vaststelling of iets als goed of slecht wordt beschouwd, maar vooral om de redenering daarachter, de argumentatie. Ethiek is daarom gekoppeld aan de toetsing en correctie van menselijk handelen. Centrale onderwerpen in de ethiek zijn juistheid, rechtvaardigheid, deugdzaamheid, het goede leven. etc.
Europees bureau voor geneesmiddelenbeoordeling (EMEA)Het EMEA richt zich ter bescherming van de gezondheid van mens en dier op het waarborgen van de beoordeling van en toezicht houden op geneesmiddelen in Europa. Aanvragen voor een Europese handelsvergunning voor GGO-geneesmiddelen, voor mens en dier, worden hier ingediend.
Europese richtlijnDe regelgeving voor biotechnologie is hoofdzakelijk gebaseerd op Europese richtlijnen en
verordeningen. Een richtlijn is een Europese regel die is gemaakt door alle lidstaten samen. Een richtlijn gaat niet boven de nationale wetgeving, maar moet daarin wel geïmplementeerd worden door de lidstaten. Voor de milieurisicoanalyse zijn twee Europese richtlijnen van belang. De eerste is de richtlijn 98/81/EG betreffende het ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde micro-organismen. De tweede richtlijn is 2001/18/EG inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu. Beide richtlijnen zijn geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving via het Besluit GGO Wet milieugevaarlijke stoffen en de Regeling GGO.
Europese VerordeningDe regelgeving voor biotechnologie is hoofdzakelijk gebaseerd op Europese richtlijnen en
verordeningen. Een Europese verordening is een wet die door alle lidstaten samen is opgesteld en die ook in alle lidstaten direct geldt. Een verordening staat boven de nationale wetgeving. Verordening (EG) nr. 1830/2003 heeft betrekking op de traceerbaarheid en etikettering van genetisch gemodificeerde organismen en de traceerbaarheid van met genetisch gemodificeerde organismen geproduceerde levensmiddelen en diervoeders en tot wijziging van richtlijn 2001/18/EG. Verordening (EG) nr. 1829/2003 heeft betrekking op genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders.
FaagZie bacteriofaag.
FarmacogeneticaOnderzoeksterrein dat zich bezig houdt met de bijdrage van de genetische achtergrond van een patiënt op de wisselende werking van geneesmiddelen. Met de uitkomsten zouden medicijnen in dosering en werkzaamheid aangepast kunnen worden op de individuele patiënt.
FarmagewassenGenetisch gemodificeerde gewassen die farmaceutische eiwitten produceren. Er kan onderscheid gemaakt worden tussen producten die na de oogst uit de plant gezuiverd moeten worden, en producten die direct kunnen worden ingenomen (bijvoorbeeld bananen die een vaccin kunnen produceren).
FenotypeVerzameling van alle waarneembare kenmerken van een individu. De totstandkoming van het fenotype wordt beïnvloed door genen en milieufactoren. Zie ook genotype.
Fotosynthese De vorming van koolhydraten en zuurstof uit water en koolstofdioxide door planten onder invloed van zonlicht.
Functional foodsVoedingsmiddelen met gezondheidsbevorderende componenten.
Fysische inperkingVoorzieningen aangebracht aan werkruimten, installaties en apparatuur waardoor verspreiding van organismen, waaronder genetisch gemodificeerde organismen, wordt tegengegaan. De inperking wordt verdeeld in 4 verschillende veiligheidsniveaus.
Fysisch inperkend systeemInperkende apparatuur voor kweek of fermentatie en downstream processing in procesinstallaties of werkruimten met de zich daarin bevindende apparatuur.
GastheerOrganisme waarin genetisch materiaal van een donororganisme wordt ingebracht. Het wordt zo een genetisch gemodificeerd organisme.
GenEen DNA fragment dat de genetische informatie bevat die meestal overeenkomt met de informatie om een eiwit te maken. Een gen is opgebouwd uit een opeenvolging van nucleotiden, die afhankelijk van de volgorde coderen voor een erfelijke eigenschap. Eén gen bestaat al snel uit een duizendtal nucleotiden.
GendopingHet niet-therapeutische gebruik van genen, genetische bouwstenen en/of cellen die de mogelijkheid hebben de sportprestaties te verbeteren.
Gene gunMicroscopische goud- of wolframbolletjes, bekleed met DNA of RNA, die met een genenkanon onder hoge druk op een cel afgeschoten kunnen worden. Het genetisch materiaal kan dan in het genetisch materiaal van de cel worden opgenomen. Dit is een mogelijke techniek om genetische transformatie te realiseren.
Genetica
Erfelijkheidsleer. Tak van de biologie die de erfelijke biologische kenmerken van de levende organismen en de wijze waarop ze worden overgedragen, bestudeert.
Genetic engineering
Genetische modificatie van een organisme door het inbrengen of verwijderen/blokkeren van specifieke genen met behulp van moderne moleculaire biologische technieken.
GenetischDe erfelijkheid betreffende.
Genetisch gemodificeerdBepaalde delen van het DNA van een organisme zijn kunstmatig en veranderd op een manier die door kruising of natuurlijke recombinatie niet mogelijk is. De genetische modificatie kan uitgevoerd worden op planten, dierlijke cellen, bacteriën, virussen en schimmels.
Genetisch gemodificeerd organisme (GGO)Organisme waarvan het genetische materiaal veranderd is op een wijze die van nature niet mogelijk is door voortplanting of natuurlijke recombinatie en die het vermogen bezit dat genetisch materiaal te vermenigvuldigen of over te dragen.
Genetische informatie
Informatie over een bepaald erfelijk kenmerk, dat in de volgorde van de basen in het DNA ligt. Met deze genetische code wordt onder andere aangegeven welke eiwitten door een cel gesynthetiseerd kunnen worden.
Genetische manipulatieGelijk aan genetische modificatie. De term “genetische manipulatie” wordt doorgaans gebruikt door tegenstanders.
Genetisch materiaalHet materiaal waarop de genetische informatie ligt, zoals DNA en RNA.
Genetische modificatieHet kunstmatig veranderen van bepaalde delen van de genen van een organisme op een manier zoals het door voortplanting of natuurlijke recombinatie niet mogelijk is.
Genetische vingerafdrukEr zijn delen van het DNA die tussen alle individuen van een soort maar heel weinig variatie vertonen. Er zijn ook segmenten waarvan de samenstelling tussen individuen sterk varieert. Voor een genetische vingerafdruk kijkt men in het DNA naar deze variabele DNA fragmenten, die net als echte vingerafdrukken voor elk individu anders zijn en die voorkomen in elke cel. Door een dergelijk hypervariabel stuk te kiezen kan een patroon worden verkregen dat met een hoge mate van waarschijnlijkheid volstrekt uniek is voor het betreffende individu, met uitzondering van identieke tweelingen en klonen.
GenexpressieDe mate van het tot uiting komen van de genetische informatie.
Genome projectVoor de karakterisering van het menselijke genoom werd het ‘Human Genome Project’ (afgekort HUGO) door een wereldwijde samenwerking tussen laboratoria opgestart. Een project met als doel de exacte DNA sequentie van de mens in kaart te brengen.
GenomicsDe wetenschap die zich bezighoudt met het functioneren van het genoom.
GenoomDe gehele genetische informatie op de chromosomen van een organisme. De grootte van een genoom wordt weergegeven in het aantal basenparen.
GenotypeDe genetische samenstelling van een organisme, verantwoordelijk voor daarbij behorende fenotypen.
Gentechnologie
Benaming voor de techniek die leidt tot veranderingen in het genetische materiaal.
GentherapieBij gentherapie wordt genetisch materiaal in cellen gebracht om zo een “gezond” gen in te brengen of om een gen dat een ziekte veroorzaakt uit te schakelen. Bij gentherapie wordt vaak gebruik gemaakt van virale vectoren om het nieuwe genetische materiaal in de cellen van de patiënt te brengen.
Gevolgenethiek
Ook wel consequentialistische ethiek genoem. Het is een vorm van ethiek waarin morele kwesties worden beoordeeld vanuit de vraag welke gevolgen het betreffende handelen heeft of welk doel het dient. Voorbeelden van doelen die in dit verband als nastrevenswaardig worden gezien zijn nut en geluk.
GGO Genetisch gemodificeerd organisme.
GGO-gebiedDelen van een inrichting die zijn bestemd voor activiteiten met genetisch gemodificeerde organismen.
GMOGenetically modified organism.
HelixTwee om elkaar gewonden, complementaire DNA-strengen vormen een dubbele helix. Dit ziet eruit als een wenteltrap waarbij basenparen, door waterstofbruggen aan elkaar gekoppeld, de treden vormen.
Hermeneutiek
Afgeleid van het Griekse woord hermèneus = tolk en betekende oorspronkelijk de kunst van het overbrengen en uitleggen van boodschappen. Later betekent het de kunst van het interpreteren van (vooral literaire en historische) teksten.
Homologie Overeenkomst tussen DNA of RNA sequenties van verschillende soorten organismen. Dit is toe te schrijven aan de evolutionaire afstamming van een gemeenschappelijke voorouder.
Horizontale overdrachtOverdracht van genen, ziekten of ziekteverwekkers binnen de populatie van het ene individu naar het andere, met uitzondering van verticale overdracht.
HybrideNageslacht afkomstig van twee genetisch verschillende organismen. Deze organismen kunnen beiden een verschillende wenselijke eigenschap bezitten. Kruising kan leiden tot een nieuw organisme dat beide wenselijke eigenschappen bezit.
HybridisatieHet koppelen van twee complementaire strengen DNA tot dubbelstrengs DNA. De term hybridisatie wordt ook toegepast wanneer het een kruising, bijvoorbeeld van verschillende plantenrassen, betreft.
Immunisatie
Ongevoelig maken voor bepaalde infecties.
ImmuunOngevoelig zijn voor bepaalde infecties.
ImmuunresponsAfweerreactie van het lichaam tegen lichaamsvreemde indringers (zoals bacteriën, virussen en schimmels) door de productie van specifieke antilichamen.
Infectieziekte Ziekte die ontstaat door een infectie met een virus, bacterie, gist, schimmel of (ecto)parasiet.
Ingeperkt gebruikGenetische modificatie van organismen en handelingen met genetisch gemodificeerde organismen in een afgesloten ruimte. In deze ruimte worden fysische barrières toegepast, al dan niet in combinatie met chemische en biologische barrières, om contact van het GGO met mens en milieu te beperken.
InschalingHet toekennen van een specifiek fysisch inperkingsniveau op grond van een risicoanalyse.
InsertieHet toevoegen van genetisch materiaal aan het genetische materiaal van de gastheer. Insertie kan ook betekenen het genetische materiaal dat door middel van genetische modificatie aan het genetische materiaal van de gastheer wordt of is toegevoegd.
IntegriteitDe term integriteit wordt in uiteenlopende contexten toepast, op mensen, dieren en planten. Het is bij uitstek een historisch en cultureel bepaalde ethische notie. In het beroep op integriteit wordt verwezen naar de eigen standaarden die dienen te worden gerespecteerd en die veelal verbonden zijn met de identiteit of levensbeschouwing van bepaalde groepen. Met integriteit worden waarden aangeduid zoals heelheid, gaafheid, natuurlijkheid, eerlijkheid, etc.
Introductie in het milieuAlle activiteiten met een genetisch gemodificeerd organisme die niet onder ingeperkt gebruik vallen. Onder meer veldexperimenten, teelt, gentherapie en de toelating van producten op de markt vallen in deze categorie.
In-vitroHet uitvoeren van experimenten buiten een compleet levend systeem.
In-vivoHet uitvoeren van experimenten in een levend systeem.
IsolatieafstandOpgelegde afstand tussen genetisch gemodificeerde (gg) gewassen om vermenging met andere gewassen tot een minimum te beperken. Isolatieafstanden kunnen ingesteld worden bij veldproeven met gg-gewassen maar ook bij teelt van gg-gewassen zoals bij coëxistentie.
KlonerenHet ongeslachtelijke proces waarbij uit één cel of individu, genetisch identieke cellen of individuen (klonen) gevormd worden.
LentivirusFamilie van de Retrovirussen (Retroviridae, genus Lentivirus), die vaak gebruikt worden omdat het effectieve virale vectoren zijn waarmee stabiele integratie van het virus DNA in het genoom van de gastheer mogelijk gemaakt wordt. Een voorbeeld van een Lentivirus is HIV.
ManteleiwittenOok wel capside-eiwitten genoemd. Het zijn eiwitten die op een geordende wijze gerangschikt zijn rondom het virus-nucleïnezuur en dit als het ware omhullen.
MarkergenenEen gen waarmee selectie kan plaatsvinden op organismen waarbij de genetische modificatie is geslaagd. Een markergen wordt samen met het gen van interesse ingebouwd in het genetische materiaal van het gastheerorganisme. Het is zodanig gekoppeld met de gewenste eigenschap dat zijn aanwezigheid voldoende is om te voorspellen of de plant de eigenschap wel of niet heeft. Antibioticumresistentiegenen worden vaak als markergen gebruikt.
MarkervaccinEen vaccin dat het mogelijk maakt om gevaccineerde dieren te onderscheiden van dieren geïnfecteerd met het virus. Met een speciale laboratoriumtest zijn de antilichamen opgewekt met het markervaccin te onderscheiden van de antilichamen gericht tegen het virus.
MarktaanvraagEen aanvraag van een vergunning voor het op de markt brengen van genetisch gemodificeerde producten op basis van EU richtlijn 2001/18/EC. De aanvraag dient te gebeuren in één van de lidstaten van de EU en wordt vervolgens beoordeeld door alle lidstaten van de EU. De eventuele toestemming is geldig voor alle lidstaten van de EU.
Micro-organismeOrganismen die alleen met behulp van een microscoop bestudeerd kunnen worden, zoals bacteriën en schimmels.
Micro-organisme van klasse 1Micro-organisme behorende tot pathogeniteitsklasse 1, dat in ieder geval voldoet aan één van de volgende voorwaarden:
a. Het micro-organisme behoort niet tot een soort waarvan vertegenwoordigers bekend zijn die ziekteverwekkend zijn voor mens, dier of plant;
b. Het micro-organisme heeft een lange historie van veilig gebruik onder omstandigheden waarbij geen bijzondere inperkende maatregelen worden getroffen;
c. Het micro-organisme behoort tot een soort die vertegenwoordigers bevat van klasse 2, 3 of 4, maar de stam in kwestie bevat geen genetisch materiaal dat verantwoordelijk is voor de virulentie;
d. Het niet-virulente karakter van het micro-organisme is middels adequate tests aangetoond.
Micro-organisme van klasse 2Micro-organisme behorende tot pathogeniteitsklasse 2, dat bij mensen een ziekte kan veroorzaken, waarvan het onwaarschijnlijk is dat het zich onder de bevolking verspreidt, terwijl er een effectieve profylaxe, behandeling of bestrijding bestaat. Alsmede, een micro-organisme dat bij planten of dieren een ziekte kan veroorzaken.
Micro-organisme van klasse 3
Micro-organisme behorende tot pathogeniteitsklasse 3, dat bij mensen een ernstige ziekte kan veroorzaken, waarvan het waarschijnlijk is dat die zich onder de bevolking verspreidt, terwijl er een effectieve profylaxe, behandeling of bestrijding bestaat.
Micro-organisme van klasse 4Micro-organisme behorende tot pathogeniteitsklasse 4, dat bij mensen een zeer ernstige ziekte kan veroorzaken, waarvan het waarschijnlijk is dat het zich onder de bevolking verspreidt, terwijl er geen effectieve profylaxe, behandeling of bestrijding bestaat.
MitochondriënStructuren in een cel die enzymen bevatten, welke betrokken zijn bij de energieproductie.
Moleculaire diagnostiekArsenaal aan methoden waarmee de aan- of afwezigheid van nucleïnezuurmoleculen kan worden bepaald, alsmede de aan- of afwezigheid van mutaties in diezelfde moleculen.
Multipotente stamcelEen volwassen stamcel die kan differentiëren in een beperkt aantal verschillende celtypen (weefsels), in tegenstelling tot pluripotente stamcellen.
MutageneseHet aanbrengen van veranderingen in het genetische materiaal.
MutatieEen verandering in het genetische materiaal.
NutraceuticalsMiddelen in de vorm van pillen of toevoegingen om de gezondheid te handhaven of te bevorderen, zoals vitaminen en vezels.
Niet-permissief gastheer-/vectorsysteem
Gastheer- of vectorsysteem dat gebruik maakt van een virale vector en niet leidt tot de vorming van infectieuze virale partikels.
Novel foodsVoedingsmiddelen en ingrediënten die in vorm en omgang tot dusverre niet in significante mate in EU lidstaten zijn geconsumeerd. Novel foods dienen op basis van EU wetgeving voor marktintroductie op veiligheid te worden beoordeeld.
NucleïnezurenAan elkaar gekoppelde nucleotiden.
NucleotidenNucleotiden zijn de bouwstenen van het genetische materiaal. Ze zijn opgebouwd uit een base, een suiker- en een fosfaatgroep. De naam van de nucleotide wordt bepaald door de base. Slechts vier verschillende basen bepalen de genetische code; voor DNA zijn dit adenine (A), cytosine (C), guanine (G) en thymine (T). RNA bestaat uit dezelfde basen echter bevat uracil (U) in plaats van thymine. Door opeenvolging van de nucleotiden (bv. AATCGTAGC) vormt zich een taal die alle genetische informatie in zich draagt.
OligonucleotideEen nucleotidensequentie (DNA of RNA), met een beperkt aantal nucleotiden.
Organisatie voor economische samenstelling en ontwikkeling (OECD)
De OECD bestaat uit 15 lidstaten van de EU en 14 andere landen met als doel het bevorderen van de ontwikkeling en verbetering van het gezamenlijke economische en politieke beleid.
ParadigmaAfgeleid van het Griekse woord paradigma = voorbeeld. Het is een term uit de wetenschapsfilosofie van Kuhn die ook algemener in zwang is geraakt. Met paradigma wordt enerzijds het gevestigde, maatgevende voorbeeld op een bepaald terrein van (normale) wetenschap bedoeld dat wetenschappers zich eigen maken door socialisatie in de wetenschappelijke gemeenschap. Anderzijds wordt paradigma wel gebruikt in de betekenis van wereldbeeld, een kader van vooronderstellingen van waaruit de werkelijkheid wordt bezien.
PathogeenZiekteverwekker.
Pathogeniteitsklasse
Indeling van micro-organismen op basis van hun ziekteverwekkend vermogen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen vier pathogeniteitsklassen.
PlasmidenCirculaire moleculen van genetisch materiaal die zich in een cel kunnen bevinden. Ze zijn in staat om zich onafhankelijk van de gastheer te vermenigvuldigen en de genen die ze dragen tot expressie te brengen. Plasmiden komen voor in micro-organismen.
Pluripotente stamcelEen embryonale stamcel met de potentie om te differentiëren in veel verschillende celtypes (weefsels), in tegenstelling tot multipotente stamcellen.
Polymerase Chain Reaction (PCR) De polymerase ketting reactie is een laboratoriumtechniek waarmee (delen van) nucleïnezuurmoleculen in zeer grote hoeveelheden vermenigvuldigd kunnen worden. Deze techniek heeft belangrijke implicaties voor de sensitiviteit van de detectie van kleine hoeveelheden van bepaalde DNA of RNA moleculen.
Post-translationele wijzingenVeranderingen die een eiwit ondergaat na zijn synthese.
Predispositie
De aanleg voor mogelijke erfelijke aandoeningen.
Pre-implantatie genetische diagnostiekHet screenen van, bij in-vitro fertilisatie-behandeling verkregen, pre-embryo’s op aanwezigheid van erfelijke aandoeningen.
ProbioticaHet gebruik van micro-organismen in voedingssupplementen ter bevordering van de gezondheid.
ProfylaxeMaatregelen die genomen kunnen worden ter preventie van een ziekte.
Proteïne Zie eiwit.
Quarantaine organismeEen organisme dat van grote economische betekenis is voor het land dat wordt bedreigd en waar dit organisme óf nog niet voorkomt óf wel voorkomt, maar niet wijd verspreid is, terwijl het organisme wel actief bestreden wordt.
RecombinatieMoleculair proces waarbij extern toegediend DNA wordt ingebouwd in het genoom van het ontvangende (micro)organisme.
Regeling GGOOnder het Besluit GGO 'hangt' de Regeling GGO. De Regeling GGO bevat nadere regels, algemene veiligheidsvoorschriften en inrichtings- en werkvoorschriften voor het werken met GGO’s. De Regeling GGO is voornamelijk van toepassing op het ingeperkt gebruik.
ReplicatiecompetentIn staat om zichzelf te vermeerderen.
ReplicatiedeficiëntNiet in staat om zichzelf te vermeerderen
ResistentTolerant zijn voor bijvoorbeeld bepaalde ziekten, insecten, biologische of chemische stoffen.
Restrictie-enzymenEnzymen die in staat zijn DNA te ‘knippen’ bij specifieke, korte sequenties van nucleotiden.
RetrovirusEen virus waarvan het genetische materiaal bestaat uit RNA en dat het enzym reverse transcriptase gebruikt om het enkelstrengs RNA over te schrijven in dubbelstrengs DNA. Dit retrovirale DNA kan dan integreren in het chromosomale DNA van de gastheer en eventueel tot expressie komen. Tot de Retrovirussen behoren ook Lentivirussen, zoals het Human immunodeficiency virus (HIV).
“RIO”VN conferentie over milieu en ontwikkeling die heeft plaatsgevonden in Rio de Janeiro (1992). Het betreft het vaststellen van de “principes van Rio” (waaronder het principe van de gemeenschappelijke en gedifferentieerde verantwoordelijkheden van landen en het voorzorgsprincipe), het uitvoeringsplan “Agenda 21” en drie verdragen (het Klimaatverdrag, het Biodiversiteitsverdrag en het woestijnverdrag).
RisicoRisico wordt over het algemeen gedefinieerd als het product van de kans op een ongewenste gebeurtenis en het (geschatte) effect waarmee deze op kan treden. Hieruit volgt een inschatting van de omvang van het effect.
Risico beoordelingVoordat een product op de markt gebracht wordt of een activiteit gestart wordt, dienen de mogelijke risico’s voor mens en milieu technisch en wetenschappelijk door deskundigen met kennis van de laatste stand van wetenschap te worden ingeschat. Bureau GGO en de COGEM houden zich met deze inschattingen bezig.
Risico managementSet aan maatregelen die genomen dienen te worden om de ingeschatte risico’s onder controle te houden.
Risico perceptieDe psychologische en maatschappelijke inschatting van het risico. Dit kan soms afwijken van het wetenschappelijk ingeschatte risico.
RNARibonucleïnezuur (in het Engels: ribonucleic acid) bestaat uit een reeks van nucleotiden en verschilt van DNA doordat het ribose in plaats van deoxyribose bevat. Tevens bevat RNA uracil in plaats van het in DNA aanwezige thymine. RNA is direct betrokken bij de vorming van eiwitten. RNA is bijna altijd enkelstrengs, een uitzondering hierop is het erfelijke materiaal van enkele virussen.
RNA interference (RNAi)Het gericht onderdrukken van genen door kleine dubbelstrengs RNA moleculen in cellen in te brengen, of tot expressie te brengen. Vervolgens kan de genfunctie bestudeerd worden.
SequencingHet bepalen van de nucleotidenvolgorde in een DNA of RNA streng.
SequentieDe volgorde van nucleotiden in genetisch materiaal.
SheddingDe uitscheiding van virusdeeltjes bij geïnfecteerde mensen of dieren. Shedding is een manier van horizontale virusoverdracht en speelt een belangrijke rol in de risicoanalyse bij gentherapie-experimenten.
Shotgun experimentVervaardiging van een genetisch gemodificeerd organisme waarbij sequenties worden gebruikt die geheel of gedeeltelijk bestaan uit niet-gekarakteriseerde genetische informatie.
Stacked traitsMeerdere nieuwe genetische eigenschappen. Veel eigenschappen worden door een combinatie van genen bepaald, inbouwen van dergelijke eigenschappen vereist derhalve het stapelen van genen.
StamcelDe meest ongedifferentieerde cel in het lichaam. Deze cel is zowel in staat tot deling als differentiatie. Stamcellen worden onderverdeeld in twee soorten: de embryonale stamcellen (pluripotent) en volwassen stamcellen (multipotent). Tot deze laatste groep behoren ook de stamcellen uit navelstrengbloed en vruchtvliezen.
Subunit vaccinVaccin waarin delen van een virus gebruikt zijn.
ToxineEen giftige stof geproduceerd door organismen, met name bacteriën.
TransductieTransfer van een gen van een bacterie naar een andere met behulp van een bacteriofaag.
TransfectieIntroductie van DNA in een cel of organisme.
TransformatieHet veranderen van het genetisch materiaal van een organisme door het inbrengen van nieuw DNA.
Transgeen organismeEen genetisch gemodificeerd organisme.
TransgeneseGenetische modificatie waarbij soortvreemd DNA in een organisme wordt gebracht (in tegenstelling tot cisgenese).
TransiëntVoorbijgaand, tijdelijk.
TransposonsEen DNA fragment dat zich kan verplaatsen op het genoom. Een transposon codeert vaak voor een eiwit dat het fragment uit het genoom “knipt”. Vervolgens kan dit fragment zich ergens anders op het genoom plaatsen. Transposons kunnen gebruikt worden voor genfunctieanalyses. Indien een transposon in een gen “springt”, wordt dit gen namelijk uitgeschakeld.
VaccinEen middel dat bij de patiënt een immuunrespons opwekt zonder hem ziek te maken. Hierdoor is de gevaccineerde patiënt beter tegen de ziekteverwekker bestand waartegen het vaccin gericht is dan zonder de behandeling. Er bestaan verschillende soorten vaccins, namelijk vaccins die levende verzwakte organismen bevatten en vaccins bestaande uit (delen van) gedode organismen.
VectorDNA- of RNA-molecuul dat gebruikt wordt om genetisch materiaal aan een gastheer toe te voegen.
VeiligheidskabinetEen belangrijke manier van fysische inperking tijdens werkzaamheden met micro-organismen. Het kabinet biedt, afhankelijk van het inperkingsniveau, bescherming aan mens, omgeving en experiment.
Verdrag inzake biologische diversiteitHet verdrag is in Rio de Janeiro geopend voor ondertekening (zie “RIO”). Het heeft als doel het behouden van de biologische diversiteit, het duurzame gebruik van de bestanddelen daarvan en de eerlijke en billijke verdeling van opbrengsten die voortvloeien uit het gebruik ervan. Biodiversiteit is de verscheidenheid van het leven op aarde, op het niveau van genen, soorten en ecosystemen. De waarde van biologische diversiteit wordt hierbij niet alleen vanuit het perspectief van de mens bekeken, maar ook vanuit het perspectief van de eigen, intrinsieke waarde van de natuur. De regels waaronder handel en transport van genetisch gemodificeerde organismen zijn toegestaan zijn verder uitgewerkt in een apart verdrag: het Cartagena protocol.
Verticale transmissie/overdrachtOverdracht van genen, ziekten of ziekteverwekkers naar een volgende generatie.
Virale vector
Viraal DNA- of RNA-molecuul dat gebruikt wordt om een gewenst gen aan een gastheer toe te voegen. De betrokken virale sequenties kunnen leiden tot replicatie van de vector of delen hiervan. Tevens kan dit leiden tot integratie van genetische materiaal van de vector of delen hiervan in het genetische materiaal van de cel.
VirulentieHet ziekteverwekkende vermogen van een micro-organisme. Dit is gekoppeld aan de pathogeniteitsklasse waartoe het micro-organisme behoort.
VirusInfectieuze deeltjes waarvan het genetische materiaal (RNA of DNA) gewoonlijk omsloten is door een omhulsel van eiwit en eventueel een lipidenmembraan. Virussen verschillen van andere levensvormen doordat ze geen eigen stofwisseling hebben. Een virus kan wel bestaan buiten een gastheercel maar kan zich dan niet repliceren. Replicatie vindt plaats in gastheercellen door gebruik te maken van de aanwezige cellulaire mechanismen. Dit kan leiden tot ziekte bij de gastheer.
VoorzorgsprincipeDit principe is vastgelegd bij “het verdrag van Rio”. Het principe stelt dat nieuwe technologieën niet zonder voorzorgen mogen worden toegepast als ze risico’s voor het milieu of de gezondheid lijken op te leveren, zelfs als wetenschappelijk onderzoek die risico’s (nog) niet onomstotelijk heeft vastgesteld.
WeefselkweekHet kweken van weefsels of cellen in een steriele omgeving buiten het organisme.
WeesgeneesmiddelenGeneesmiddelen die bestemd zijn voor de diagnose, preventie of behandeling van zeldzame aandoeningen. Door de hoge ontwikkelingskosten van deze middelen en de kleine groep patiënten zullen de verwachte opbrengsten voor de producent laag zijn. Vanuit de Europese Unie zijn daarom richtlijnen opgesteld om de ontwikkeling van weesgeneesmiddelen te stimuleren.
XenotransplantatieOrgaantransplantatie van dier naar patiënt. Gezien de ethische dilemma’s die kleven aan xenotransplantatie en de potentiële gezondheidsrisico’s, is het uitvoeren van medische verrichtingen met levend weefsel met toepassing van xenotransplantatie in Nederland sinds 2002 verboden.
ZelfkloneringHet verwijderen van genetisch materiaal uit een organisme, gevolgd door het terugbrengen van dit materiaal, of een deel ervan, in cellen van hetzelfde organisme. Dit materiaal kan ook teruggezet worden in een nauw verwante soort, welke door natuurlijke fysiologische processen chromosomaal DNA kan uitwisselen met het eerstgenoemde organisme.
Het verwijderde genetische materiaal kan in-vitro, enzymatisch, chemisch of mechanisch bewerkt worden, alvorens het teruggeplaatst wordt.
|
|
|